Spelen
  1. Weetwereld
  2. Oefenen
  3. D, t of dt

D, t of dt?

Werkwoorden als worden, vinden en houden zijn lastig, want je hoort het verschil tussen d, t en dt niet. Met dit stappenplan schrijf je ze in de tegenwoordige tijd altijd goed.

Oefen d en dt in Woordbellen Vanaf groep 6 komen er werkwoordzinnen in het spel.

Speel gratis

Het stappenplan

  1. Zoek de stam. Haal -en van het hele werkwoord af: worden → word, vinden → vind, fietsen → fiets.
  2. Ik = alleen de stam: ik word, ik vind, ik fiets.
  3. Hij, zij, het, u = stam + t: hij wordt, zij vindt, het fietst.
  4. Jij = stam + t: jij wordt, jij vindt.
  5. Maar: staat jij of je achter het werkwoord? Dan géén t: word jij, vind je dat leuk?
Trucje: twijfel je? Vervang het werkwoord door lopen. Hoor je loopt? Dan komt er een t bij. Hoor je loop? Dan niet. Hij (loopt) … → hij wordt. (Loop) jij … → word jij.

En in de verleden tijd?

Daarvoor gebruik je in groep 7 en 8 de regel van 't kofschip: eindigt de stam op een van de medeklinkers uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan krijg je -te(n): ik fietste, ik werkte. Anders wordt het -de(n): ik woonde, ik speelde.

Oefen: d, t of dt?

Hij wor… morgen tien. · Ik vin… het leuk. · Vin… jij dat ook? · Het wor… al donker. · Zij rij… naar school.

Bekijk de antwoorden

wordt · vind · Vind · wordt · rijdt